Aan de voorkant van het oog bevindt zich het hoornvlies (cornea). Dit is het doorzichtige deel van de harde oogrok (sclera), die de hele oogbol omvat. Het hoornvlies werkt als een lens, die zelfs sterker is dan de eigenlijke ooglens. De brekingssterkte van een lens wordt uitgedrukt in dioptrieën. Hoe groter het aantal dioptrieën, hoe sterker de lens. De brekingssterkte van het hoornvlies ligt tussen de 40 en 45 dioptrieën. De ooglens heeft een sterkte van ongeveer 20 dioptrieën. De ooglens kan echter van sterkte veranderen door boller te worden. Hierdoor kan men zowel van dichtbij als van veraf scherp zien (accommoderen).
De grote ruimte achter de lens is geheel gevuld met glasvocht (corpus vitreum). Dit is een geleiachtige massa omgeven door een dun vlies. het glasvocht bevat geen bloedvaten, wel zitten er dunne vezels in die zorgen voor elasticiteit en stevigheid. Soms kan men die vezels in het eigen oog zien, mouches volantes (vliegende muggen), bijvoorbeeld wanneer men tegen een strak blauwe lucht of een wit plafond aankijkt. Met de loop van de jaren neemt de elasticiteit van de elastische vezels in het glasvocht af. Rond het 60e levensjaar gaat het glasvocht zich hierdoor verdichten en kan het gedeeltelijk los komen van het netvlies, een achterste glasvocht loslating. De ruimte die ontstaat wordt gevuld met kamerwater. Net zo min als mouches volants veroorzaakt dit problemen. Tijdens het ontstaan van de loslating kan men gedurende enkele dagen hinderlijke lichtflitsen zien. Dit wordt veroorzaakt door de trek aan het netvlies en het gaat vanzelf weer over.